De Hartenlust van A-Z

Alles wat je over De Hartenlust moet weten, vind je in deze digitale Schoolgids. In de linkerkolom staat (bijna) alles waar je op De Hartenlust mee te maken kunt krijgen. Wil je meer weten over een bepaald begrip? Kijk dan in de linkerkolom en klik er op.

Toetsbeleid

Toetsbeleid van De Hartenlust 2019-2023

Inleiding

In dit toetsbeleid wordt de visie en het beleid van De Hartenlust op het gebied van toetsen uiteengezet.

Functie van toetsen: door te toetsen test je de vaardigheden en kennis. Hierdoor verzamel je als school informatie over kennis, vaardigheden, inzicht, werkattitude en competentieniveau. Volgens de Hartenlust moet toetsing worden ingezet als instrument voor de feedback- en feedforward van de docent en de mentor bij de begeleiding van de leerling.

De Hartenlust streeft naar een uitgebalanceerd toetsbeleid dat gericht is op het inzetten van kwalitatief hoogwaardige toetsen die aansluiten bij het niveau en de begeleiding van de leerling ondersteunen. Het toetsbeleid op De Hartenlust is niet statisch, maar het zal daar waar nodig constant worden aangepast.

 

  1. Wat is een toets?

Een toets is een instrument voor het meten van de verworven kennis en vaardigheden (praktische vaardigheden en houdingen) die door middel van studie en/of onderwijs op een of ander vakgebied zijn verworven.

Een gedegen toetsbeleid heeft de volgende doelen voor ogen:

  • duidelijke kwaliteitseisen, uniformiteit, definities, regelingen en procedures omtrent toetsing;
  • deskundigheidsbevordering;
  • bevordering van afstemming en samenwerking binnen de vakgroep;
  • afleggen van verantwoording naar externe instanties zoals inspectie en ouders;
  • duidelijke informatie naar de leerling toe omtrent inhoud, scoring en normering van de toets.
  1. Onderwijsvisie

De onderwijsvisie is uitgangspunt van het toetsbeleid, dat wil zeggen dat toetsing aansluit bij doelen zoals:

  • onderwijs op maat;
  • optimale ontwikkelmogelijkheden naar een diploma op het hoogst haalbare niveau;
  • waarborgen van op – en doorstroom;
  • leren in toenemende eigen verantwoording.

 

Functies van een toets

Vaak heeft een toets meerdere functies. Het is van belang om vooraf vast te stellen welke functies een toets heeft omdat de keuze consequenties heeft voor de meeste aspecten van de toets, zoals leerstof, correctie, scoring en mogelijke normering. Goede toetsing houdt daarom rekening met de volgende functies:

  • diagnostische functie: onderwijs op maat krijgen;
  • didactische functie: regelmatig en voldoende leren/werken;
  • determinerende functie: op het juiste niveau geplaatst worden;
  • selectiefunctie: slagen voor een examen op het hoogst haalbare niveau;
  • kwalificerende functie: doorstroom naar en passende (mbo/havo) opleiding.Kwaliteitseisen

 

Een goed toetsbeleid en een goede toetspraktijk dragen bij tot goed onderwijs. Het aantal toetsen dient zo klein te zijn als mogelijk om nog effectief te zijn. Door de kwaliteit van de toetsen te verhogen kan de kwantiteit verlaagd worden. Binnen het beleid van de school dienen expliciete kwaliteitseisen aan de toetsing gesteld te worden; het waarborgt de kwaliteit van toetsen, testen en werkstukken. Hierbij wordt gedacht aan onderstaande kwaliteitsaspecten:

 

  • Validiteit en betrouwbaarheid

Een toets moet dat meten waarvoor hij ontworpen is. Hiervoor moet de docent scherp hebben welke kennis en inzicht hij wil meten en op welke manier daarbij rekening gehouden wordt met de RTTI-methode. Een toets is betrouwbaar als het resultaat niet afhankelijk is van toevalligheden. Daarvoor moet/moeten

  • formuleringen eenduidig zijn,
  • het effect van faalangst geminimaliseerd worden door bijvoorbeeld te beginnen met een makkelijke vraag,
  • de toets de leerstof redelijk dekken,
  • de vragen niet sterk cumulatief zijn,
  • de beschikbare tijd evenredig verdeeld worden over de vragen/opgaven,
  • het woordgebruik passen bij leerstof en niveau,
  • vragen en opdrachten tenminste deels aansluiten aan de leefwereld van de leerlingen,
  • extreem moeilijke of gemakkelijke opgaven worden vermeden,
  • de toets in z’n geheel een onderscheid maken tussen ‘goede’ en ‘zwakke’ leerlingen,
  • er concrete opdrachten en vragen worden gehanteerd en formuleringen die ongewenste antwoorden oproepen zoveel mogelijk worden vermeden,
  • informatie en vraag zoveel mogelijk worden gescheiden,
  • een beperkt aantal vraagformuleringen worden gebruikt en de vraagformuleringen hebben steeds eenzelfde betekenis,
  • er geen contexten en voorbeelden worden gebruikt die overwegend inspelen op het belangstellingsgebied van een bepaalde groep leerlingen.(bijv specifieke hobby).

 

  • Objectiviteit

Dit heeft zowel betrekking op de constructie als ook op de correctie van toetsen. Bij de toetsconstructie gaat het erom dat een andere deskundige docent over dezelfde leerstof dezelfde systematiek toepast; dit heeft te maken met duidelijke afspraken binnen de vaksecties over de te behandelen leerstof, diens aanvulling met leerstof uit andere bronnen dan de gebruikte methode en het wel dan niet toetsen daarvan.

Bij de correctie gaat het erom dat een andere beoordelaar tot nagenoeg dezelfde cijfers zou komen. Hiervoor dienen de vaksecties een correctiemodel met scoring en normering voor de toets te ontwikkelen en alle leden van de vakgroep moeten zich hieraan houden.

 

  • Transparantie

Toetsing, scoring en normering dienen voor alle betrokkenen transparant te zijn.

Het toetsbeleid is op de website terug te vinden.

 

  1. De toetspraktijk

Goede toetsing vraagt om samenwerking van alle betrokkenen, zoals in hetvervolg getoond wordt:

De leden van de vaksectie

  • weten dat toetsen verschillende doelen hebben,
  • kunnen toetsen ontwikkelen,
  • weten waar zij alle vakinformatie van de school kunnen vinden,
  • kunnen toetsresultaten beoordelen en interpreteren,
  • kunnen de kwaliteit van toetsen en examens beoordelen,
  • gaan desgewenst op (na)scholing over het maken van toetsen,
  • kennen de kerndoelen en eindtermen van hun vak en ontwikkelen een vakwerkplan ter bewaking van de doorlopende leerlijnen,
  • ontwikkelen een PTO (Programma van Toetsing Onderbouw) en een PTA (Programma van Toetsing en Afsluiting),
  • ontwikkelen een studiewijzer waarin vermeld staat hoe de leerling zich kan voorbereiden op de toetsen uit het PTO en/of PTA,
  • ontwikkelen kwalitatief hoogwaardige toetsen voor hun PTO en PTA,
  • hanteren daarbij de afgesproken toetstaal en regels voor de lay-out van de toetsen (Verdana 12, Arial 12, regelafstand 1,5),
  • gebruiken de docenten voor elke jaarlaag en alle klassen dezelfde toets,
  • ontwikkelen een correctiemodel voor de toetsen,
  • ontwikkelen een scoring – en normeringsmodel,
  • kennen de determinatiefunctie van toetsen en ontwikkelen hiervoor minstens 3 RTTI toetsen,
  • zijn bekend met toetsanalyses volgens RTTI en gebruiken het feedbackformulier,
  • analyseren methode gebonden toetsen en passen deze waar nodig aan,
  • evalueren jaarlijks de kwaliteit en resultaten van het PTO en PTA en nemen gerichte actie naar aanleiding hiervan,
  • nemen de uitslagen van de gemaakte toetsen en de toelichting op het behaalde resultaat op in Magister.

 

De vakdocent

  • houdt zich aan binnen de sectie gemaakte afspraken over toetsen en normering,
  • geeft de toets binnen het gestelde termijn op en kijkt deze binnen het gestelde termijn na. Vijf werkdagen voor een schriftelijke overhoring en tien werkdagen voor een proefwerk (zie schoolreglement),
  • geeft de leerstof voor de toets duidelijk en schriftelijk op met gebruikmaking van de studiewijzer en de agenda van Magister,
  • geeft de leerling feedback over zijn resultaten en noteert het leeradvies in magister
  • Initieert indien nodig en na overleg met de vaksectie het mogelijk bijstellen van de normering.

 

De sectievoorzitter

  • ziet erop toe dat alle leden zich houden aan de gemaakte afspraken,
  • organiseert een resultatenanalyse en reflecteert daarmee op de kwaliteit van de toetsen welke tot aanpassingen kunnen leiden,
  • gaat hierover indien nodig in gesprek met collega’s uit de vakgroep,
  • schakelt bij duidelijke onwilligheid/onvermogen de teamleider / toets- coördinator in.

De mentor

  • helpt leerlingen bij het plannen van toetsen,
  • geeft tips over studieaanpak, aanleren van studievaardigheden als de resultaten daartoe aanleiding geven. In leerjaar 1 wordt er in het mentoruur aandacht besteed aan de studievaardigheden,
  • bespreekt de vorderingen met de leerling en diens ouders,
  • bewaakt de gemaakte afspraken over de hoeveelheid en het inplannen van toetsen,
  • bemiddelt tussen de vakdocent en de klas voor wat betreft planning indien gewenst.

 

De schoolleiding

  • hanteert transparante en uitvoerbare afspraken / regels omtrent hoeveelheid, de kwaliteit en de afname van toetsen,
  • waarborgt zorgvuldigheid met betrekking tot alle aspecten van toetsing door regelgeving en organisatorische maatregelen,
  • stimuleert door het toetsbeleid prestatiegericht werken van docenten en leerlingen,
  • bewaakt en bevordert de deskundigheid van de medewerkers met betrekking tot toetsing,
  • bewaakt de koppeling van onderwijsvisie en toetsing,
  • communiceert het toetsbeleid naar ouders toe door plaatsing van het beleid op de website,
  • werkt hierin samen met de toetscoördinator.

 

De toetscoördinator

  • reflecteert samen met de schoolleiding op de uitvoering van het toetsbeleid en stelt deze daar waar nodig bij,
  • bewaakt samen met de schoolleiding de uitvoering van het toetsbeleid,
  • bewaakt samen met de schoolleiding de kwaliteit van de toetsen. Doet dit met een klein team van collega’s uit diverse vakgroepen,
  • geeft advies aan vakgroepen omtrent het ontwikkelen van PTD (Programma van Toetsing en Determinatie), PTO en PTA,
  • geeft advies aan vakgroepen/docenten omtrent het ontwikkelen en afnemen van toetsen. Doet dit met een klein team van collega’s uit diverse vakgroepen,
  • werkt nauw samen met de examensecretaris.

 

De leerling

  • weet welke leerstof hij zich voor een toets eigen moet maken en maakt daarvoor gebruik van de studiewijzer en agenda in Magister,
  • beschikt over tips hoe hij zich deze leerstof eigen moet maken,
  • begrijpt de vraagstelling van de toets,
  • heeft inzicht in de maximum score per vraag en de normering van de toets,
  • kan minimaal een week voor de toetsafname in de studiewijzer zien wanneer een toets afgenomen wordt,
  • heeft de mogelijkheid inzicht te krijgen in (gebrek aan) eigen kennis en vaardigheden,
  • krijgt gefundeerde adviezen met betrekking tot de studievorderingen en de bevordering naar een bij hem passend niveau.
  1. Afspraken

De Hartenlust kent de volgende toetsen:

  • proefwerken: een vorderingstoets (repetitie) van grotere omvang.
  • schriftelijke/mondelinge overhoringen (SO/MO): een toets van beperkte omvang zoals b.v. enkele onderdelen van een hoofdstuk;
  • praktische opdracht: bijvoorbeeld een werkstuk;
  • praktijk toets: een vakgerichte toets in een praktijk simulerende omgeving;
  • RTTI: tenminste 1 RTTI toets per vak, per periode. Deze toetsen hebben een diagnostische en determinerende functie.
  • Leerlingen en hun ouders kunnen de uitslag van deze toetsen op Magister inzien en met de mentor analyseren;
  • Cito volgtoetsen: vanaf de brugklas tot eind klas 2 wordt gebruik gemaakt van de cito volgtoetsen. Deze toetsen hebben een diagnostische functie.

 

5.1 Bovenbouw

Hier gelden de regels van het examenreglement en het PTA. Het PTA wordt jaarlijks voor het nieuwe schooljaar en na het CSE (Centraal School Examen) geëvalueerd en indien nodig aangepast. De schoolleiding initieert de evaluaties van het SE (School Examen) en het CSE en ziet erop toe dat gemaakte afspraken in concrete acties omgezet worden. De laatste toetsafname vindt plaats tijdens se-week 3. Daarna is er nog wel gelegenheid om individuele gemiste toetsen af te nemen. Een SE heeft een minimale weging van 10% en een maximale weging van 30%. Het PTO en PTA klas 3 worden gescheiden. Het rapportcijfer klas 3 wordt nog wel bepaald door zowel PTO als PTA onderdelen in de verhouding:

-PTO-SO                     gewicht 1

-PTO-PW                    gewicht 3

-PTA onderdeel           gewicht 6

(dit houdt in dat een PTA cijfer een gewicht (in procenten) krijgt voor het SE, maar dat het los hiervan 6x meetelt voor het bepalen van het rapportcijfer in klas 3)

Aantal toetsen in klas 3 is maximaal 3 per periode per vak. Voor klas 4 is het maximaal 2 per periode. In de SE-week en de proefwerkweek aan het eind van het schooljaar mogen maximaal 3 proefwerken per dag gegeven worden.

Het PTA en het examenreglement worden tijdens de eerste ouderavond in september aan de leerlingen en hun ouders gepresenteerd en uitgelegd. PTA en examenreglement zijn terug te vinden op de website van de school en worden aan ouders toegestuurd.

 

Het toetsrooster wordt verzorgd door de roostermaker in overleg met de examensecretaris en staat tenminste 2 weken voor begin van de SE – week op de website/in Magister. Er is rekening gehouden met een evenwichtige vakkenverdeling om de leerling ruimte te bieden voor een goede voorbereiding.

5.2 Onderbouw

De toetsen in de onderbouw vallen binnen het PTO. Het PTO wordt aan het eind van het schooljaar door de vaksecties geanalyseerd en indien nodig aangepast. Aan het begin van het schooljaar wordt het PTO op de eerste ouderavond in september aan de ouders gepresenteerd en is vervolgens terug te vinden op de website/in Magister.

Aantal toetsen

Het schooljaar bestaat uit 3 rapportperiodes van 9 à 10 weken. Hierna volgt een cijferlijst of een rapport. Per tijdvak leveren de verschillende vakken minstens 1 proefwerk/vorderingstoets en minimaal 1 SO-cijfer. De toetscoördinator bewaakt dit proces. Om de toetsdruk zoveel mogelijk te spreiden is er een maximum gesteld aan het aantal toetsen dat per dag mag worden afgenomen.

Dit zijn maximaal:

  • twee proefwerken of,
  • 3 SO’s of,
  • 1 proefwerk en 2 SO’s.

Naast proefwerken en SO’s kunnen andere opdrachten worden gegeven die meetellen voor het rapportcijfer. Er mogen maximaal 6 toetsen per vak per periode worden afgenomen. Er mogen maximaal 6 toetsen totaal per week worden afgenomen.

5.3 Afspraken leerjaar 1 t/m 4

 Weging

De wegingen zijn in het PTO of PTA in te zien. De vaksectie legt cesuur, scoremodel en beoordelingsnormen vast en maakt een bruikbaar correctiemodel. Voor elk leerjaar geldt dezelfde normering

 

Beoordeling

Voor alle leerjaren wordt een cijferschaal van 1 t/m 10 gehanteerd. Er wordt afgerond op 1 cijfer achter de komma. Er is sprake van een voortschrijdend gemiddelde van alle tot dan toe behaalde cijfers in een schooljaar.

Een toets kan met een “naar behoren” (NB) of “niet naar behoren” (NNB) worden beoordeeld.  Leerlingen hebben dan de plicht de opdracht of het toetsresultaat te verbeteren tot een NB om over te kunnen naar het volgende leerjaar of in klas 4 om examen te mogen doen.

Het gebruik van O/M/V/G beoordelingen gebruiken we alleen in de situatie van geheel thuisonderwijs. Hiermee kan voortgang bijgehouden worden zonder gevolgen voor het eindcijfer. PTA onderdelen worden wel, indien toegestaan, op school afgenomen voor een cijfer.

In klas 1 en 2 is het laagste cijfer dat zal worden ingevoerd een 3 zijn. Het werkelijke cijfer mag wel op het antwoordblad en in de advieskolom genoteerd worden. Uiteraard met een studieadvies voor de volgende toets.

Inhalen van toetsen

Bij verzuim tijdens een toets, noteer de docent INH in magister. De leerling haalt de toets binnen 3 weken in. Leerling en docent zijn samen verantwoordelijk voor het maken van een afspraak voor het inhalen van de toets. De leerling moet zich binnen 3 schooldagen na het eerst volgende schoolbezoek bij de docent melden voor het maken van een afspraak. Als de leerling zich niet meldt op de gemaakte afspraak, maakt hij de toets op de dag van de eerstvolgende les. Indien na herhaalde afspraak tussen docent en leerling de leerling zonder geldige reden  niet verschijnt, noteert de docent het cijfer 1,1. (Dit om onderscheid te maken tussen echte score en niet ingehaald). In de toelichtingskolom van Magister vermeldt de docent de reden van de 1,1.

Indien de docent of mentor  meent, dat vrijstelling voor een toets aan de orde is, bespreekt hij dat met de betreffende teamleider.

 

Aankondiging van toetsen

Alle toetsen worden minimaal een week van tevoren opgegeven en in Magister vermeld. Deze mogen alleen reeds behandelde stof bevatten. Daarvoor afgenomen toetsen (SO’s die proefwerkstof bevatten) moeten reeds zijn beoordeeld en teruggegeven. Leerlingen noteren de toets in hun agenda. De informatie in Magister is maatgevend! De te toetsen leerstof wordt duidelijk omschreven. De maandag na een vakantie is huiswerkvrij.

 

Nakijken van Toetsen

Een toets moet binnen 10 werkdagen nagekeken en het cijfer in Magister ingevuld zijn.

 

Inzage en nabespreken

De cijfers voor proefwerken en schriftelijke overhoringen worden uiterlijk 10
werkdagen na afname van de toets bekendgemaakt aan de leerlingen. Dit geldt niet voor schrijfopdrachten, verslagen, werkstukken of onderdelen van het lees- of fictiedossier. Leerlingen hebben het recht om hun gemaakte en beoordeelde toets in te zien en met de docent te bespreken.

 

Lay-out

Voor alle toetsen wordt een gemeenschappelijk toetskop gebruikt waarin het vak, het onderwerp van de toets, de klas en het niveau van de klas. In de bovenbouw is de lay-out gelijk aan die van het centraal examen. De toetsen worden aangeleverd in lettertype Verdana 12 of Arial 12 en regelafstand 1,5.

 

Toetstaal

Bij het ontwikkelen van de toets wordt gelet op taalgebruik. Ook wordt er gelet op wat er getoetst wordt: de taalvaardigheid van de leerling, de kennis en/of de vaardigheden.

Dyslectische Leerlingen

De aangepaste regels voor dyslectische leerlingen zijn terug te vinden op de website onder het kopje dyslexiebeleid.

Fraude

Fraude tijdens de toetsing wordt afgehandeld door de docent. Deze noteert een  3,0 en geeft in de toelichtingskolom aan waarom deze is toegekend. De docent bespreekt dit ook altijd met de teamleider. Wanneer een leerling het niet eens is met de wijze van afhandeling kan hij hiertegen in beroep gaan bij de teamleider.

Als vlak voor de proefwerkweek blijkt dat de leerling om deze reden niet over zou kunnen, wordt de leerling altijd besproken in het docententeam .

Overgangsnormen
Bij het 1e cijferrapport ontvangen alle leerlingen de overgangsnormen. Verder zijn de overgangsnormen ook op de website van de school te vinden.

Bepalingen voor te laat komen
Als leerlingen bij een proefwerk meer dan een kwartier te laat zijn, mogen ze het lokaal niet meer in. De leerling moet dan zo spoedig mogelijk zelf een afspraak maken met de betreffende docent om het proefwerk in te halen. Wanneer een leerling zonder geldige reden afwezig is tijdens een proefwerk, heeft deze geen recht op een herkansing en krijgt deze een 3,0 voor dit proefwerk.

Bepalingen ten aanzien van de schoolexamens treft u aan in het examenreglement.

Werkstukken en/of praktische opdrachten

Het inleveren van werkstukken of praktische opdrachten worden minimaal 2 weken voor de inleverdatum opgegeven en in Magister vermeld met inleverdatum. De opdracht is opgenomen in de studiewijzer en in het PTO/PTA.

De leerling is schriftelijk op de hoogte gebracht van de inhoud van de opdracht en de beoordelingscriteria (via de studiewijzer of de ELO). Als de leerling een werkstuk of opdracht te laat inlevert, wordt er per lesdag (te laat) een punt op de beoordeling in mindering gebracht.

Visit Us On InstagramVisit Us On FacebookVisit Us On LinkedinVisit Us On Youtube